Home > Achtergrond > Probleemstelling

Probleemstelling

De vraag is, hoe wij een gedifferentieerd werkaanbod kunnen creëren en organiseren voor het arbeidspotentieel van uitkeringsgerechtigden met grote afstand tot reguliere arbeid. Wij willen natuurlijk:

  1. zorgen voor duurzame en verantwoorde arbeidsinzet van mensen met weinig perspectief op regulier werk;
  2. mensen activeren richting een maximaal haalbaar doelperspectief;
  3. nieuwe diensten in buurten en wijken aanbieden.

Gemeenten streven er vanzelfsprekend naar zoveel mogelijk mensen uit te laten stromen naar regulier werk. Voor een deel van het bestand blijkt dit echter moeilijk haalbaar.
Activering als tussenstap kan hierbij een belangrijke rol spelen. Nog afgezien van het feit dat activering maatschappelijk gewenst is, in het kader van de bijdrage aan de samenleving, oftewel de tegenprestatie. Bijkomend voordeel is ook nog eens dat activering maatschappelijk isolement voorkomt.

Uitkeringsinstanties voeren een streng beleid, dat onder de volgende opsomming is samen te vatten:

  • Primair uitgangspunt is dat de uitkeringsvrager zelf actief moet zijn;
  • Het instrument Workfirst biedt goed inzicht in motivatie en inzet;
  • Waar mogelijk toe- of terugleiden naar school resp. leer/werk-mogelijkheden;
  • Via actieve bemiddeling van CWI en re-integratiebedrijven (rib’s) aan de start eerst voorzien in werk;
  • Via hoogwaardig handhaven oneigenlijk gebruik tegengaan.

Voor de moeilijkste groep staan de gemeenten nog extra instrumenten ter beschikking, zoals:

  • Op traject via rib’s.
    De rib's zouden ook bemiddeling naar regulier werk voor hun rekening moeten nemen, maar de resultaten daarvan blijken in de praktijk tegen te vallen.
  • Sociale activering.
    Dit bestaat voor een belangrijk deel uit vormen van (begeleid) vrijwilligerswerk.
  • Voormalige ID-/Wiw-banen
    Deze plekken zijn nu bekend onder de namen participatiebanen en werkervaringsplaatsen.

Vanuit het bedrijfsleven bestaat er een kloof tussen vraag en aanbod. De eerste logische stap moet nu zijn om te trachten deze kloof te overbruggen. Dat kan op diverse manieren:

  • De uitkeringsgerechtigde – al of niet vooraf – bijscholen;
  • Werkgevers creëren via verschuiving van functies en een interne ‘upgrading’ van eigen personeel ruimte aan de ‘onderzijde’ van hun bedrijf.
  • Werkgevers ontvangen een tegemoetkoming om zelf begeleiding te kunnen bieden.
  • Werkgevers krijgen extra begeleiding van buiten het bedrijf aangeboden (zoals in de vorm van jobcoaching).
  • Werkgevers kunnen aanspraak maken op een tijdelijke loonkostensubsidie.

Er is op zich geen reden deze organisaties anders te benaderen dan het bedrijfsleven, alleen is er weinig geld. Er is voldoende vraag, er is voldoende aanbod, maar het ontbreekt aan de financiële ruimte om ze in te schakelen en onvoldoende kader om ze te begeleiden.

Zeker met het oog op de nieuw ingevoerde WMO is dit zorgwekkend.