Ede

In Nederland is een groot aantal ontwikkelingen gaande, die gemeenten de kans bieden en voor de uitdaging stellen om een aantal beleidstaken op creatieve wijze met elkaar in verbinding te brengen:

  1. De Wet werk en bijstand (Wwb) stimuleert gemeenten d.m.v. wettelijke vrijheden enerzijds en een 100% financiële verantwoordelijkheid anderzijds, om een maximale inspanning te plegen om werklozen te activeren en zo veel mogelijk toe te leiden naar werk.
  2. De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) biedt gemeenten een breed wettelijk kader alsmede een uitbreiding van taken, om zowel op individueel terrein als ook op collectief gebied m.n. op wijkniveau, voorheen vrij gescheiden beleidsterreinen als zorg en welzijn in samenhang te benaderen en daarop beleid te voeren en initiatieven te nemen. Dit sluit aan op de tendens dat de gemeentelijke overheid meer en meer geacht wordt regisseur te zijn op het gebied van leefbaarheid en veiligheid op wijk- en buurtniveau.
  3. De modernisering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) leidt tot een inperking van de oorspronkelijke doelgroep van de Wsw en noopt tot een actieve externe inzet van Wsw-geïndiceerden bij reguliere bedrijven en andere werkorganisaties.
  4. De nieuwe Wet Inburgering (WI) verbreedt de verantwoordelijkheid van gemeenten om bepaalde groepen ingezetenen van allochtone afkomst te helpen participeren in de Nederlandse samenleving. Dit gaat verder dan alleen taalonderwijs.
  5. Ook bij diverse andere groepen die niet onder de directe gemeentelijke verantwoordelijkheid vallen qua uitkeringsverstrekking, staat het streven naar meer activering in de richting van (zoveel mogelijk regulier) werk centraal. Dit betreft m.n. de uitkeringsgerechtigden via de Uwv (WW- en WAO-uitkeringsgerechtigden).

Vorenstaande – niet uitputtende – landelijke regelingen en ontwikkelingen kennen een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Zij gaan uit van de maximale eigen verantwoordelijkheid van de burger/klant. Zij leggen de verantwoordelijkheden om doelen te realiseren op het laagste, nl. het lokale niveau. En de regelingen zijn zó ontworpen, dat het maximaal inzetten op activering in feite onontkoombaar is vanwege de geldende krappe financiële kaders.

Het overgrote deel van het arbeidspotentieel dat nu nog niet (regulier) aan het werk is, is ook niet zomaar te bemiddelen op vacatures die zich aandienen. Een deel van hen kampt met in de persoon gelegen belemmeringen of problemen, een ander deel heeft tekorten qua opleiding en competenties. Daartegenover wordt in vacatures vaak een hoger niveau gevraagd of specifieke deskundigheden waaraan werkzoekenden niet kunnen voldoen.

Van doelstelling naar probleemstelling
Overkoepelende doelstelling voor uitvoerders van sociale diensten en uwv’s is dat zoveel mogelijk mensen die nu afhankelijk zijn van een uitkering worden geactiveerd richting werk. Primair geldt daarbij als doelstelling de kortste weg naar regulier werk. Maar secundair kan activering ook een effectieve tussenstap zijn met regulier werk als eindperspectief. En tertiair is activering ook maatschappelijk gewenst om een maximale bijdrage te leveren aan de maatschappij (uit een oogpunt van ‘tegenprestatie’), met voor de klant zelf als wenselijk bijeffect het tegengaan van maatschappelijk isolement.Inmiddels bestaan er de nodige werkwijzen en instrumenten om deze doelstelling na te streven. Eerst een korte schets van de aanbodkant.

Uitkeringsinstanties zijn ‘streng aan de poort’, hetgeen o.a.:

  • een maximaal appél doet op de uitkeringsvrager om eerst zelf actief te zijn;
  • via o.a. het instrument Workfirst (uitgevoerd door het Wsw-bedrijf) een goede check doet op de motivatie en inzet;
  • zo mogelijk leidt tot toe- of terugleiding naar school resp. leer/werk-mogelijkheden
  • via actieve bemiddeling van Cwi + Rib’s aan de start eerst probeert in werk te voorzien.
  • via hoogwaardig handhaven oneigenlijk gebruik tegengaat

Vervolgens beschikken gemeenten na de eerste intakefase over een aantal mogelijkheden om klanten die nog niet direct bemiddelbaar zijn op traject te plaatsen via Reïntegratiebedrijven (Rib’s). Veelal wordt er ook van uit gegaan dat Rib’s de uiteindelijke bemiddeling naar regulier werk doen. In de praktijk vallen de resultaten hiervan echter nogal eens tegen.

Voor de categorie klanten die ofwel vooralsnog. ofwel blijvend niet binnen afzienbare tijd naar werk kan worden toegeleid, is er op dit moment het instrument van de sociale activering. Voor een belangrijk deel bestaat dit uit vormen van vrijwilligerswerk, met enige specifieke begeleiding.

Tenslotte is er de gesubsidieerde arbeid: de voormalige ID-banen of Wiw-banen, die gedeeltelijk zijn omgezet naar andere – meer tijdelijke – vormen van additioneel werk.

De vraagkant bestaat allereerst uit het bedrijfsleven. Ten opzichte van een groot deel van het bestand uitkeringsgerechtigden is sprake van een kwalitatieve mismatch: de uitkeringsgerechtigde voldoet niet aan het niveau en het profiel van de vraag zoals die in de vacature staat vermeld. Voorzover de ‘kloof’ niet al te groot is, kan die op diverse manieren in overleg met de werkgever worden overbrugd, bijv.:

  • de uitkeringsgerechtigde wordt – al of niet vooraf – bijgeschoold;
  • de werkgever is bereid om via verschuiving van functies en interne ‘upgrading’ van eigen personeel ruimte te creëren aan de ‘onderzijde’ van zijn bedrijf
  • de werkgever krijgt een tegemoetkoming om zelf begeleiding te kunnen bieden;
  • de werkgever krijgt extra begeleiding van buiten het bedrijf aangeboden (bijv. jobcoaching);
  • de werkgever krijgt een tijdelijke loonkostensusidie.

De ervaring leert dat het zo veel mogelijk hierop inzetten een extra inspanning vraagt van de uitkeringsinstantie, m.n. ook in de richting van werkgevers. Want zowel de reguliere dienstverlening van het Cwi als ook de inzet van Rib’s hierin, hebben vaak onvoldoende rendement. In den lande zijn inmiddels dan ook succesvolle voorbeelden te vinden van gemeenten die een eigen extra inzet plegen in de vorm van matchingsteams, die actief zelf bij werkgevers (en ook met de vraag van de werkgever als leidend uitgangspunt) maatwerkoplossingen bewerkstelligen voor de uitkeringsgerechtigden die zij voor bemiddeling in ‘hun rugzak’ hebben en die zij voor de functie geschikt achten.

Daarnaast is er een grote vraagkant bij maatschappelijke organisaties, zoals de zorg, het onderwijs, het welzijnswerk etc. Deels kunnen deze organisaties op gelijke wijze worden benaderd als het bedrijfsleven. Met name op het lokale niveau en vooral ook bij de door de gemeente gesubsidieerde organisaties doet zich echter de situatie voor, dat er afgelopen jaren grote bezuinigingen zijn doorgevoerd, er een grote schaarste is aan middelen en ook het aantal ID-ers, Wiw-ers en Wsw-ers binnen deze werksoorten door verschillende oorzaken is afgenomen. Dit terwijl de vraag naar aanbod op lokaal niveau en op wijk- en buurtniveau toeneemt, o.a. doordat er steeds meer groepen met hulp- en ondersteuningsvragen in de wijken komen wonen als gevolg van de extramuralisering en de vergrijzing. Naast het wegvallen van het uitvoeringspotentieel, kampen deze organisaties ook met het wegvallen van kader om eventuele nieuwe groepen ‘additionele werkers’ adequaat te kunnen begeleiden. Vanuit de beleidsverantwoordelijkheid van gemeenten is dit zeker in het perspectief van de nieuwe Wmo een zorgelijke situatie. En daarmee komt als probleemstelling in beeld:

Hoe kunnen wij voor het omvangrijke, maar diverse arbeidspotentieel van uitkerings-gerechtigden, een gedifferentieerd werkaanbod creëren en organiseren, zodat hiermee:

  1. mensen geactiveerd kunnen worden richting maximaal haalbare doelperspectief;
  2. organisaties/functies op wijkniveau kunnen worden in stand gehouden en versterkt?

De hierboven geschetste ontwikkelingen, alsmede de vertaling richting probleemstelling, is niet uniek voor Ede, maar doet zich in meer of mindere mate overal in Nederland voor. Dat is ook de reden om partnergemeenten van vergelijkbare omvang op te zoeken om hiervoor gezamenlijk projecten te ontwikkelen en omtrent de ervaringen te komen tot een vruchtbare wisselwerking. De resultaten die dat oplevert zijn ongetwijfeld ook van belang voor andere gemeenten. Vandaar de IPW-aanvraag.

De situatie in Ede
Op wijkniveau is een groot aantal ontwikkelingen gaande, die kansen bieden om vanuit een te starten Wijkwerkbedrijf ondersteuning te bieden, met als bijeffect ‘activering op maat’ van uitkeringsgerech-tigden. Met name op accommodatiegebied hebben de wijkontwikkelingen nl. de nodige gevolgen.

  • Ontwikkeling van woonservicegebieden: op 6 – 8 locaties in Ede ontstaan nieuwe clusters van multifunctionele zorg- en dienstencentra, waarin voormalige verzorgingshuis- en verpleeghuisfuncties op wijkniveau worden gecreëerd, en van waaruit ook wijkzorg- en welzijnsfuncties (ook voor andere groepen) worden aangeboden;
  • Gemeentebreed vindt een herstructurering plaats van het sociaal-cultureel werk. Dit heeft enerzijds betrekking op de inhoud van het werk en beoogt o.a. te komen tot multidisciplinaire teams (van verschillende werksoorten) op wijkniveau. Anderzijds wordt hierbij gestreefd naar een loskoppeling tussen één op één functies/organisaties en gebouwen, waardoor gebouwen in de wijk efficiënter kunnen worden benut en waardoor ook enkele gebouwen kunnen verdwijnen (waarbij de opbrengst mag worden heringezet).
  • Eveneens gemeentebreed wordt geleidelijk aan de Brede-schoolontwikkeling (in Ede ‘School en partners’ genoemd) ‘uitgerold’. Natuurlijke momenten van nieuwbouw en herstructurering worden benut om tot meer multifunctionele clusters te komen van scholen met andere functies.

Ondertussen beschikken ook diverse andere organisaties over gebouwen op wijkniveau. Bijv. Kruiswerk, Stichting Welzijn Ouderen, Sportservice, zelforganisaties van minderheden etc.

De bestaande situatie in Ede, alsmede de geschetste lopende ontwikkeling leiden tot het beeld dat:

  1. accommodatiebeheer (in brede zin) voor geen van de uitvoerende organisaties ‘core-business’ is;
  2. de trend richting multifunctioneel gebruik van gebouwen ook moet leiden tot een wijziging in beheer;
  3. de forse bezuinigingen in afgelopen jaren ertoe nopen professionals alleen nog hun vak te doen, zodat zij geen gelegenheid meer hebben om ondersteuning te bieden bij het accommodatiebeheer;
  4. er een te grote schaarste is aan de ‘onderkant’ van de werkzaamheden die samenhangen met het accommodatiebeheer op wijkniveau, hetgeen nog wordt vergroot door de afbouw van ID/Wiw-banen.

Draagvlak voor een vernieuwende opzet?
In de geschetste situatie van Ede en tegen de achtergrond van alle lopende ontwikkelingen heeft de gemeente Ede onlangs een verkennend onderzoek laten doen in Ede naar het draagvlak om te komen tot een gezamenlijke aanpak, waarbij vraag- en aanbodzijde op creatieve wijze bij elkaar worden gebracht en daarmee een bijdrage leveren aan zowel individuele activering van klanten als aan het bevorderen van de leefbaarheid en levendigheid in wijken. In het onderzoek zijn de volgende potentiële deelnemers betrokken: Welstede (= lokale welzijnsstichting), Woonstede (= grootste lokale woningcorporatie), Kruiswerk (gefuseerd met St. Welzijn Ouderen én onlangs met Philadelphia), Permar (= regionaal werkvoorzieningschap), Sportservice (= beheerder van alle sportaccommodaties in Ede én stimulator/uitvoerder van sportactiviteiten) en de gemeente Ede. Het onderzoek werd afgerond met een plenaire bijeenkomst. De rapportage wordt binnenkort opgeleverd. Wat in elk geval opvalt is dat het idee van een gezamenlijk accommodatiebeheer zowel qua ‘hardware’ (gebouwen, technisch onderhoud e.d.) als qua ‘software’ (inzet van groepen werklozen, gehandicapten etc.) breed wordt gedragen door de participanten en dat daarbij een grote bereidwilligheid lijkt te bestaan voor creatieve samenwerkingsverbanden.

Het algemene belang resp. het belang voor de gemeente Ede
Het concept van een Wijkwerkbedrijf kan in de geschetste Edese situatie (die zoals gezegd overigens niet uniek is in Nederland) een aantal functies vervullen die aanvullend zijn op het bestaande en dat een stimulans kan betekenen voor de samenhang en de samenwerking op lokaal en wijk-niveau.

Het beoogde Wijkwerkbedrijf is een private onderneming (stichting), die wordt gedragen door zoveel mogelijk maatschappelijke organisaties. Qua werkzaamheden wordt primair (bij wijze van start) ingestoken op het regelen resp. faciliteren van het accommodatiebeheer op wijkniveau voor zoveel mogelijk accommodaties en lokale organisaties. Qua arbeidspotentieel wordt zoveel mogelijk geput uit de doelgroep werklozen/inactieven in Ede die vooralsnog niet op korte termijn naar regulier werk kunnen worden toegeleid. Ook personen met een Wsw-indicatie behoren tot de doelgroep. Het Wijkwerkbedrijf moet door wijkorganisaties en de gemeente kunnen worden aangesproken op het leveren van bepaalde diensten. Hoe en door wie die diensten geleverd worden en welke begeleiding daarvoor nodig is, is verder een zaak voor het Wijkwerkbedrijf.

Op termijn kunnen ook andere groepen wellicht deel gaan uitmaken van het Wijkwerkbedrijf. Bijv. ook mensen die een leer-werk-traject volgen of stagiaires e.d.

Ook op termijn kan de reikwijdte van de werkzaamheden van het Wijkwerkbedrijf worden verbreed tot ook meet inhoudelijke ondersteunende functies in de wijk, bijv. in de zorg, het welzijn of het onderwijs.

Tenslotte willen wij al direct onderzoeken of en inhoeverre dit Wijkwerkbedrijf ook kan worden ingezet als onderdeel van ‘Workfirst’, dat in Ede vooral wordt gebruikt als een (preventief) Handhavings- en diagnose-instrument.

Relatie met de pilot vrijwilligerswerk en mantelzorg voor het ministerie van VWS. In het kader van de invoering van de WMO heeft de gemeente Ede de status van pilotproject gekregen op het terrein van vrijwilligerswerk en mantelzorg. In dit project vindt een inventariserend onderzoek plaats naar de inzet en uitwisselbaarheid van mantelzorg. Er wordt  gekeken of er een coördinerend mechanisme ingesteld kan worden om de effectiviteit en kwaliteit van mantelzorg en vrijwilligerswerk te versterken. Gezien de beoogde doelgroep van het activeringscentrum, fase 4 geindiceerde werklozen die moeilijk zelfstandig als vrijwilliger kunnen werken en niet veelal niet direct in de mantelzorg aan de slag kunnen, zal het activeringscentrum vrijwel geen rol spelen rond dit proces.

IPW-aanvraag
Op basis van het voorgaande is dringend behoefte aan een uitwisseling met andere gemeenten over best practices en mogelijke uitvoeringsvarianten. Voor Ede zelf is het noodzakelijk om nu concrete vervolgstappen te zetten. Nu het globale haalbaarheidsonderzoek heeft opgeleverd, dat er voldoende draagvlak bestaat voor een concreet vervolg, moet op diverse aspecten nu een verdiepingsslag worden gemaakt, in samenspraak met alle stakeholders in Ede. Voor dit alles is een gekwalificeerde projectleider nodig. Deze zal moeten fungeren als onafhankelijke aanjager en facilitator om te komen tot een concreet plan van aanpak, waarvoor draagvlak bestaat. Daarnaast dient hij/zij te fungeren als ‘kwartiermaker’ voor het daadwerkelijk operationaliseren van het Wijkwerkbedrijf in Ede medio 2007.